Botten en kleedje

Vorige week heb ik genoten van het vele moois dat Kinrooi heeft te bieden: water, ontspanning, rust en gastvrijheid. Op een avond ging ik naar een restaurant in de buurt van het huisje aan de Maas waar ik logeerde. Er zaten drie vrouwen van rond de dertig aan de bar, samen, een glaasje te drinken, met elkaar te praten en te lachen. Ze nodigden me uit om de tijd totdat het eten zou komen, te veraangenamen en bij hen te komen zitten. Dat was fijn. We hadden een mooi gesprek over werk en relaties en over de Nederlandse en de Vlaamse taal. Een kleedje ken ik uit mijn eigen dialect, maar wat botten waren, dat wist ik niet. De conversatie was een aangenaam verpozen.

 

Dat is ook de Spreuke van Theo van Dael. Ik vind het bijzonder dat u met een gedicht op mijn oproep hebt gereageerd. Dank ook voor uw complimenten.

Wat mij in uw gedicht aanspreekt is dat door het contact met elkaar, u uw hoofd van binnen in beweging houdt en daarmee uzelf bij de tijd. Ik weet niet of ik het zo juist heb vertaald, maar de bedoeling van uw oproep is mij duidelijk. Aan dat mensen elkaar blijven ontmoeten, praten en lachen, bijvoorbeeld over wat ze in uw Spreuke of in mijn column hebben gelezen of gezien. Want dat doet een mens goed.

 

Ik zou het fijn vinden u eens te ontmoeten, om elkaar als collega schrijver/dichter van ’t Blaadje Kinrooi persoonlijk te leren kennen, bij een kopje koffie of een menu in het dorp, en dat we eens praten over mooie woorden waarmee we de lezer kunnen blijven bedienen.

 

Deze blog is ook als column verschenen in ´t Blaadje Kinrooi van 3 oktober 2015